Er is een moment tijdens het inrichten waarop je een plank ophangt, er drie dingen op zet, een stap achteruit doet en denkt: dit is nog niet af. Bijna iedereen vult dan de rest op. Nog een kaars erbij, een stapeltje boeken, een klein plantje in de hoek. En dan is het af, in de zin dat er geen ruimte meer over is.
Ik denk al een tijdje dat dat gevoel van onafheid ons voor de gek houdt. Wat we voelen is niet dat de plank leeg is, maar dat we niet gewend zijn aan leegte. In een gemiddelde Nederlandse woonkamer is elk horizontaal vlak bezet. De vensterbank, de kast, de salontafel, de bijzettafel, het dressoir: overal staat iets. Als dan één plank halfleeg blijft, valt dat op als een gat. Terwijl het in werkelijkheid de enige plek in de kamer is waar je oog even niets hoeft te doen.
Dat oog is het hele punt. Kijken kost energie. Elk voorwerp in een kamer vraagt een fractie van je aandacht, en die fracties tellen op. Daarom voelt een opgeruimde kamer rustiger, ook als je niet kunt benoemen wat er precies is veranderd. Een halflege plank is geen gemiste kans om iets moois te laten zien, het is een pauze. En zonder pauzes wordt zelfs een kamer vol prachtige spullen vermoeiend.
Het gekke is dat we dit bij andere dingen wel begrijpen. Niemand vindt de witte marges in een boek zonde van het papier. Niemand zet de meubels tegen elkaar aan omdat de vloer anders leeg blijft. Maar zodra er een plank hangt, gaat er een schakelaar om, alsof een plank een opdracht is die je moet uitvoeren en niet een oppervlak waar je iets op mag leggen.
Ik zeg niet dat minimalisme de enige juiste smaak is. Integendeel, ik hou van huizen waar je aan de spullen ziet wie er woont, en een kamer waarin niets staat is even ongezellig als een wachtruimte. Het gaat om de verhouding. Als tachtig procent van je oppervlakken bezet is en twintig procent bewust leeg, dan komen de dingen die er wel staan tot hun recht. Draai je die verhouding om, dan verdwijnt het mooiste stuk dat je hebt tussen de rest.
Waarom lukt dat dan zo slecht? Omdat leegte niet vanzelf blijft. Een lege plank is een uitnodiging voor de post, de sleutels, het laadsnoer, de brief die je nog moet lezen. Leegte in huis is geen toestand maar een onderhoudsklus, en dat is precies waarom het zo makkelijk is om hem vol te zetten met iets decoratiefs: dan kan er tenminste geen rommel meer bij. Dat is een reëel argument, maar je koopt er wel rust mee af.
Als ik in mijn eigen huis rondkijk, zijn de plekken die me het meest bevallen bijna altijd de plekken waar ik iets heb weggehaald in plaats van toegevoegd. Op de kast staan nu twee stukken aardewerk in plaats van zes, en pas sindsdien zie ik ze echt; hoe je met keramiek en aardewerk sfeer maakt heeft veel minder met aantallen te maken dan ik dacht. Hetzelfde geldt in de keuken, waar het aanrecht pas werkt als er ruimte overblijft om iets neer te zetten; dat is ook waarom een gestyled keukenblad zo vaak alsnog rommelig oogt zodra je er echt in kookt.
Een praktische manier om het te proberen: haal van één plank of één oppervlak alles af, zet het op de grond, en zet er dan drie dingen terug. Niet meer. Laat het een week staan. In het begin zul je er langs lopen met het gevoel dat er iets ontbreekt. Dat gevoel zakt bijna altijd binnen een paar dagen weg, en wat ervoor terugkomt is dat je die drie voorwerpen weer opmerkt. Zakt het niet weg, dan zet je gewoon iets terug, en dan weet je ook wat.
Wat je overhoudt is een huis dat niet voller is geworden en toch anders voelt. Dat is een prettige ruil, zeker in een tijd waarin de standaardoplossing voor elk interieurprobleem is om nog iets te kopen. Soms is het antwoord op een kamer die niet klopt niet een nieuw ding, maar een lege plek waar je oog even mag uitrusten.